Weidevogels

De grutto is met ca 400 broedparen de meest voorkomende weidevogelsoort en vestigt zich zowel in matig als goed bemest weiland. Lager gelegen, nattere deelgebieden met hogere slootwaterpeilen lijken de voorkeur te hebben.

Ook de kievit- ca 250 broedparen- heeft van oudsher een voorkeur lager gelegen, nattere weilanden. De laatste jaren broedt de kievit ook in grote aantallen op maisakkers.

De tureluur is met ca 125 broedparen in het gebied vertegenwoordigd, met, hoe kan het anders, een voorkeur voor de lager gelegen delen in het gebied met hoge slootwaterpeilen.

De scholekster- ca 110 broedparen- is minder kieskeurig en wordt dan ook verspreid door het gehele gebied en op de gekste plaatsen broedend aangetroffen.

Als broedbiotoop voor watersnip en kemphaan zijn de weilanden in Skriezekrite Idzegea niet meer geschikt. De watersnip komt met hooguit 5 broedparen voor, terwijl van de kemphaan incidenteel een broedgeval wordt vastgesteld.

Van de weidezangvogels komen veldleeuwerik, graspieper en gele kwikstaart voor; de eerste twee , hoewel nog geen exacte aantallen bekend zijn, in redelijke aantallen, de gele kwikstaart met hooguit 10 broedparen op maisakkers en boezemlandjes.

Wat de eendensoorten betreft neemt het aantal broedparen(bp.) van de bergeend(ca. 20 bp.)en de kuifeend(ca. 20 bp.) gestaag toe en van de krakeend(ca. 30 bp.) de laatste jaren zelfs fors toe. Zomertaling(<10 bp.) en slobeend(ca. 15 bp.), soorten die in grasland broeden, hebben het moeilijk en blijven in aantal gelijk of nemen gestaag af.